Tijdens de kick-off van 'Speak up dear!' op 23 november jl. las Aaf Brandt Corstius een column voor over vrouwen en spreken. Lees hier de column:
Column over vrouwen en spreken door Aaf Brandt Corstius
Vorige week was ik, geheel toevallig, maar wel toepasselijk gezien het onderwerp van vandaag, op een congres waar alleen maar vrouwelijke sprekers waren uitgenodigd. Dat was een unicum. Iedereen op het congres had het erover. Alleen maar vrouwelijke sprekers op het programma! Dat hadden ze nog nooit meegemaakt! Het verbaasde gesprek ging dan verder op twee subthema’s: 1. Waar halen ze die vrouwen vandaan? Want het is toch wel ZO moeilijk om deskundige vrouwen te vinden! En 2: ik hoop maar wel dat het goede sprekers zijn. Dat ze vrouw zijn, is natuurlijk niet genoeg. Hopelijk hebben ze wat te bieden. Best treurig. Eigenlijk. Dat mensen het eerst al als een bijna onmogelijke prestatie zien om een stel vrouwelijke deskundigen op te sporen, en dat ze dan ook nog ernstig twijfelen aan de kunde van die vrouwen. Maar goed. Dit hier, vandaag, is een feestelijke bijeenkomst. Laten we niet op die vervelende puntjes blijven hangen.
Ik was op dat congres met al die vrouwen bij twee verschillende presentaties, van twee verschillende vrouwen. En zij lieten meteen alle haken en ogen – en alle gloriemomenten – van het spreken in het openbaar zien. De eerste spreekster kampte met, wat ik zou willen noemen, de Powerpointnachtmerrie. Die wordt in Meestersprekers boek gelukkig ook behandeld. Gerard Spong, altijd welbespraakt, ook als hij maar twee korte zinnetjes uitspreekt, zegt in Meestersprekers over Powerpointpresentaties: ‘Ooit president Obama met een Powerpoint-presentatie gezien? Nou dan!’ My point exactly, zou ik willen zeggen. Powerpointpresentaties, al bevatten ze nog zoveel prachtige grafiekjes, olijke poppetjes, leuke foto’s en onverwachte in- en uitzoommomenten, zijn een ramp. Altijd. De presentatie start niet, of wel, maar dan middenin. Halverwege komt er een grijs balkje in beeld, met daarop iets met ‘error’. En tegen het eind valt alles altijd uit, waardoor het bureaublad van de spreker in kwestie in beeld komt; meestal een koddige vakantiefoto van het hele gezin in zwemkleding of minder.
Deze spreekster had ook zoiets. Bij haar startte alles wel keurig op, maar het was de verkeerde presentatie. Na veel hints richting de technici in de zaal (‘Eh... is er iemand! Die... even... naar mijn laptop kan kijken...’) die niet overkwamen, deed ze iets wat ik typisch vrouwelijk zou willen noemen. Ze zei: ‘Ik word hier heel verdrietig van. Want ik had een hele mooie presentatie voorbereid.’ Het zat hem natuurlijk in het woord ‘verdrietig’. Dat moet je niet zeggen. Tuurlijk, verdrietig, dat kun je zijn; je kunt je tranen voelen prikken, en misschien zul je na het congres, als je zogenaamd even naar buiten moet om iets met je Blackberry te doen, een keiharde oerkreet uitstoten, wat vloeken, en een traan laten. Maar je moet niet tijdens je presentatie zeggen dat je verdrietig bent. Want dan wordt de rest van de zaal ook verdrietig.
De volgende spreekster had meer geluk. Zij was een deskundige die ingevlogen was uit Amerika. Ze was een grootheid op het gebied van de media, en zo zag ze er ook uit. Niet dat ze zich heel ingewikkeld had aangekleed: ze droeg gewoon een zwarte rok, met daarboven een coltrui die eruitzag alsof hij van een chique wolsoort was gemaakt, en ballerina’s – met rode zolen, leuk detail – waarop ze stevig heen en weer beende over het podium.
Ook haar Powerpointpresentatie liep uiteraard vast, richting het eind, maar zij lachte erom. Hee! Ik mis een slide! Zei ze opgewekt. De mooiste slide van mijn hele toespraak! En toen legde ze uit wat er op dit slide had gestaan. Ze kreeg een daverend applaus.
Spreken in het openbaar is ongeveer het engste wat er bestaat, tenzij je standup comedian bent, dan is het nog enger. Het kan je maken of breken.
Ik zag een paar jaar geleden onze ex-minister-president Balkenende, toen nog in volle glorie, uit zijn hoofd een zaal mensen toespreken, waarbij de belangrijkste gast de vrouw van de president van Georgië was. Die vrouw, zoals u vast wel weet, is een Zeeuwse, en Balkenende ook. Zonder enige moeite, en, moet ik zeggen, met ontzettend veel charme, schudde hij de ene leuke Zeeuwse wijsheid na de andere uit zijn mouw. Zijn moeder voerde hij op – altijd een goed idee – en allerlei noeste Zeeuwse bezigheden, zoals tegen de wind in fietsen. Later heb ik hem nog talloze keren over dat fietsen gehoord, maar dit was de eerste. Hij stond erbij alsof hij er echt lol in had: zonder enige zenuwen. In Meestersprekers las ik dat president Clinton dat ook kan. Een hele zaal vol dinerende mensen toespreken terwijl hun hoofdgerecht koud wordt, terwijl hij een half uur over zijn toegestane tijd heengaat, en nog zit iedereen geboeid te luisteren. Maar heus niet alleen mannen kunnen dat, en ook niet alleen beroemdheden.
Afgelopen zondag was ik in een veel kleiner gezelschap, bij een redelijk nieuw initiatief dat Echt Gebeurd heet. Mensen – bekend en onbekend – vertellen op een podium een waargebeurd verhaal uit hun eigen leven. Ze krijgen acht minuten; ze mogen geen briefje vasthouden, en als ze over de tijd heengaan, begint een pianist zachtjes te spelen zodat ze weten dat ze moeten afronden. Een van de vijf sprekers was een Iraanse vrouw die jaren geleden naar Nederland gevlucht was. Van de periode voor haar vlucht deed ze nu verslag. Ze sprak nog steeds met een zwaar accent, was soms geëmotioneerd, en eindigde haar verhaal met de woorden: ‘Nou ja, dat... was dus mijn verhaal.’ En toch was het goed. Want het was echt, en indrukwekkend, en ze had met schitterende ogen en zonder angst de zaal ingekeken. En af en toe een grap gemaakt.
Dat is dat wonderlijke, mysterieuze ding, wat je niet uit boeken kunt leren: charisma. In dit boek staat zelfs iets over de CharismaBarometer, die door Femke Halsema aangevoerd schijnt te worden. ‘Ze trekt je, je moet naar haar luisteren, of je nu voor of tegen haar bent,’ zeggen anderen over Halsema. Charisma dus. De helft van het werk.’t is Een mysterie hoe je eraan komt. Maar de rest kun je leren. Uit dit boek.
Foto: Diederik van der Laan